Geen macht, die hen tot spreken kan dwiw
gen----over den moord____den moord, waarbij
een jong menschenkind den dood vond----
gelijk het gras in ons kortstondig leven____"
Frans Hokkert las en herlas. Luisterde naar de gesprekken van de passagiers op de pont, die allen het verhaal van den moord kauwden en her־ kauwden.
Pijpers, de veldwachter, is een stommeling. Dat heeft Frans onmiddellijk gezien. De burgemeester heeft gestudeerd en pronkt met twee namen; die is er dus ook nog verwaand bij.
„Ik kom wel terug als 't parket er is. Waarschuw me dan maar", zegt de blaaskaak.
Het parket is er warempel nóg niet; die lui maken ook nooit haast. Denken zeker: als je een lijk lang genoeg laat liggen, komt vanzelf de naam van den dader op het voorhoofd in druklettertjes te staan; dan heb je 't maar voor het aflezen.
Frans Hokkert doorsnuffelt het huis. Een vrij־ gezellenhok, naar en koud. Een paar stoelen; tafeltjes, een potkacheltje en verder boeken. Fran־ sche, Duitsche, Engelsche en nog andere. Allemaal over de radio.
Het lijkt ligt nog zooals Pijpers het vannacht heeft aangetroffen.
142