Vogt en Kovacs Lajos en alles wat met den radio־ omroep te maken heeft, zit weer een laagje hoo־ ger. Heel ver boven hen uit rijst de punt van het gevaarte. Beneden kan je nauwelijks ontwaren, wat daarboven gebeurt. En tusschen hoog en laag ligt een bonte wereld geklemd; grossiers en winke־ liers, reizigers en octrooibureaux, advocaten en doctoren, ingenieurs en directeuren. Heeft het leven je dichter bij de basis gebracht, dan ben je fascist of socialist, al naar het uitkomt. Lijkt je verblijfplaats dichter bij den top, dan druk je op alles wat onder je is.
Zwaar is de last, die Maurice Turfh te dragen heeft.
Maurice Turfh is een ingebeelde dwaas. Hij is een stoffig burgermannetje; zijn zieltje is gekreu־ keld. Hij maakt zichzelf wijs, dat de radio voor hèm is uitgevonden. Om hèm een genoegen te doen. Om Josephine in zijn slaapkamer te bren־ gen. Als hij in Carré Kovacs Lajos bejubelt en Willem Vogt, klopt hij zichzelf goedkeurend op den schouder.
״Gefeliciteerd, Maurice, dat zooveel flinke kerels zich uitsloven, nu ja, voor een dik salaris, maar toch eigenlijk voor jou."
En doctor Johan klopt goedkeurend op het groene laken van de directiekamer. Zoolang man־ netjes als Maurice Turfh gedwee betalen, zullen
132