Als hij zoo kan blijven zitten, zakt de pijn in den rug ook wel. Goedkeurend knikt hij:
״Precies mijn redeneering. Beide moorden moeten verband met elkaar houden."
Herr Gutsberg zwijgt.
״Hebben de heeren verdenking op een bepaalde persoon?" vraagt Mr. Lawrence; hij noemt, zonder te spreken, een naam.
״Die vlerk, waarvan John Masters ons gisteren heeft verteld. Die werklooze uit dat zolders kamertje van zijn pension."
Nu opent Herr Gutsberg den mond. Zijn inzicht gaat zegevieren.
״Jacobus Fredericus de Brie.... Precies mijn idee. Heb ik ook de politie gezegd."
״Goddamn", barst Mr. Lawrence opeens uit. Zijn vuist valt zwaar op tafel. Is dat de kalme Engelschman? Die man is dichter de beroerte nabij dan de volbloedige Monsieur Gareel. ״God־ damn", vloekt hij, ״you damned sot.... jij hebt zeker dat kleine beetje hersens, dat je bezit, ook nog in Duitschland vergeten. Ik wist, dat er uilskuikens in de wereld rondliepen, maar dat er zulke achterlijken btj waren, heb ik niet kunnen gelooven. Je wilt toch zeker niet beweren, dat jij, de politie op het spoor van dien.... hoe is de naam____van dien De Brie gezet hebt."
״Waarom niet?" stottert Herr Gutsberg. ״Waar־
125