zijn. Het schuim staat Monsieur Marcel op de lippen; elk woord van dien Gutsberg maakt hem razender. Zijn bravigheid maakt hem dol. Als de mof zegt, dat het beeld van het verdwenen lijk hem geen rust laat, lacht monsieur Marcel hoonen: ״Kan je net gelooven, dat hem het lijk van John Masters interesseert; de leeuw is dood, fluit hem uit!"
Vermoeid zakt Monsieur Marcel eindelijk terug in zijn stoel. Nu hij geen adem meer heeft om te schreeuwen, voelt hij zijn hart weer. Het klopt snel achter elkander, een vliegensvlugge motor; zijn rug doet hem ook pijn. Een paar maanden geleden had hij hetzelfde gevoel. Dat was, toen hij die hevige, niet te stelpen, neusbloeding kreeg.
״Het wil mij voorkomen", zegt Mr. Lawrence, ״dat wij nu eens even kalm als gisteren met elkan־ der moesten overleggen."
״Blijf daar maar kalm bij!" steunt Monsieur Marcel.
En de dikke Gutsberg sart:
״Ik ben nog nooit zoo kalm geweest als van> daag", maar die bedaardheid is maar schijn. Sinds vanmorgen knaagt er achter in zijn hoofd een
tergende vraag: waar is de uitvinding----waar is
de uitvinding?
Mr. Lawrence heeft de leiding genomen. Koel
123