״Ze moeten het lijk hier in een of andere zak hebben gestopt en toen weggesleept!"
״Maar hoe---- door het raam, door de deur?"
Nergens is een spoor te vinden. De pension־ houdster staat bleekjes bij de deur. De bloedvlek trekt haar blik onweerstaanbaar.
״Hoe laat is meneer Masters thuis gekomen, gisteren?"
״Om een uur of zes. Ik heb zelf de deur voor hem open gemaakt!"
״Is ie daarna heelemaal niet meer uitgegaan?"
״Nee!"
״Kan ie dat ook niet stiekum doen?"
״Nee, dan zou ik het moeten hooren!"
״En U heeft niet gehoord, dat de moordenaar of de moordenaars binnenkwamen.... Hoe kan dat?"
״Kan ik het helpen....?"
„En dat stuk papier", zegt Frans Hokkert, „kent U niemand, die zoo schrijft.... Hier, lees, wat staat daar?"
„Uit wraak, vuile smiecht", leest de juffrouw. Ze begint dan zenuwachtig te giechelen, „het lijkent wel, alsof ik U voor vuile smiecht uit־ scheld!"
„Dank je", zegt Frans Hokkert, „maar U be־ grijpt zeker wel, dat we U voorloopig in het oog moeten houden!"
117