Het is verdorie een geheimzinnige zaak. Als je nou maar te weten kon komen, waar ze dat lijk verstopt hebben. Vindt dat maar es uit. De kamer ligt overhoop. Het moet hier een kloppartij ge־ weest zijn van de andere wereld. De stoelen lig־ gen kris kras over den vloer. Het tafelkleed is weggerukt. Een pièce de milieu — gouden tiere־ lantijntjes en bazuinengeltjes — ligt in een hoek. Dat moet toch een klap gegeven hebben! Zoo iets moet iemand toch hooren.
״Heeft u vannacht geen lawaai gehoord?"
״Geen spat, meneer!"
״Bent u misschien een beetje doovig?"
״Ikke.... doovig.... welnee, meneer, ik ben zoo gezond als een visschie, alleen in m'n eene knie heb ik af en toe wat leewater!"
״Maar goffergeme, mensch.... hier is de heele santekraam onderste boven gehaald.... en je hoort niks____dat bestaat toch niet!"
״Kan ik het helpen----?"
„Dat moest er nog bijkomen, kwezel", denkt Frans Hokkert.
Het bed is een groote roode vlek. De vent is geslacht. Het bloedspoor loopt tot het midden van de kamer, houdt daar plotseling op.
Kalenberg, die intusschen met Geurten gekomen is, zegt:
116