״Mijn?" vraagt de juffrouw, „moet je mijn hebben?"
„Natuurlijk! Wie anders. Uw gehoor is in orde, nietwaar? U zegt zelf, dat de vermoorde de deur
niet uitgegaan is____ anders zou U het hebben
gehoord---- Dat zijn Uw eigen woorden, ver־
domme. De moordenaar heb je niet hooren bin־
nenkomen____ Dan is er maar één oplossing----
Dat is: U bent de moordenaar zelf----Wie weet,
waar je het lijk verstopt hebt____"
De juffrouw kijkt glazerig. Zal ze nu aan de tweede reeks zenuwtoevallen beginnen?
„Breng ons naar de keuken", beveelt Hokkert barsch.
Ze onderzoeken het geheele huis.
Niets!
Niets!
Niets!
„Het is verdorie de raadselachtigste geschie־ denis, die ik ooit onder handen gehad heb", zegt Kalenberg.
„Nou hebben ze je nog niet veel in handen gegeven!", smaalt Hokkert.
De juffrouw is de kamer uitgestuurd.
De drie politiemannen overleggen!
„Ik heb", zegt Hokkert, „'t gevoel, dat die
118