״En dat is, vraagt־ie nog____dat ben jij, Jaco־
bus Frederieus de Brie. Ik ben verplicht je mede te deelen, dat je onder ernstige verdenking
staat---- onder ernstige verdenking van moord
op John Masters ten eerste____"
„Ten eerste.... en ten tweede, toe maar, d'r kan best nog wat bij."
Hoe kan ik nou spotten? Waar haal ik de lol vandaan? Ik zit aan alle kanten muurvast en maak nog lolletjes op den koop toe!
„En ten tweede", vervolgt Frans Hokkert lang־ zaam, de knots valt neer, „en ten tweede van moord op een zekeren De Wind...."
„De Wind.... de uitvinder in Zwijndrecht."
„Precies.... en doe me nou een lol en vertel zonder haperen nog eens precies, wat er gisteren tusschen jou en Masters is voorgevallen. Ik heb het daarnet maar half gehoord."
Opnieuw vertelt Jacobus Frederieus.
„Klópt!" zegt Frans Hokkert, „waar was je gisteravond?"
„Hier.... Ik heb heen en weer geloopen.... overlegd, wat ik met m'n geld zou doen als ik het had!"
„Schlemiel!" hoont Frans Hokkert, „en van־ nacht.... heb je geslapen, natuurlijk.... Welja,
waarom zou je niet geslapen hebben____ En je
hebt vannacht natuurlijk niks gehoord?____ Nee
112