John Masters gestapt is----nou is hij dood, 't is
om te grienen.... en hoe hij gevochten heeft____
nou ja, gevochten met woorden dan altijd----om
een paar centen te kunnen krijgen, dat eeuwige gestempel is om je den dood aan te doen.... en hoe die John Masters hem toen geld heeft be־ loofd.... veel geld.... nou ja, daar steekt toch niks aan.... 't is toch zeker geen misdaad, wan־ neer je een uitvinding wilt koopen.... en als je dan je mond houdt, kan de rechter je daar toch ook niks voor maken, dus dan ben je onschul־ dig.... en hoe hij vandaag het geld zou krijgen ... vandaag, precies op den dag, dat die vent er tus־ schen uit geknepen is....
״D'r tusschen uit geknepen", moppert Frans Hokkert, ״zeg dat wel, d'r tusschen uit geknepen. Enfin, je moet het toch eenmaal weten.... ze hebben vannacht John Masters hier beneden in zijn kamer van kant gemaakt."
״God allejezus", zegt Jacobus Fredericus ten tweede male en nu moet hij zich aan het ledikant vasthouden; koud is die ijzeren stang.
״Ja, man____van kant gemaakt", herhaalt Frans
Hokkert, ״en het helpt geen zier, of ik er lang omheen draai.... D'r is tot dusverre maar één vent, die in aanmerking komt om voor dezen moord levenslang te krijgen____"
„En dat is?"
111