waarom schrik je zoo? Het lijkt goddome wel of 't een broer van je was."
„Een broer niet____ een broer niet", stamelt
Jacobus Fredericus.
Malle brasem ben ik toch, om nou plotseling alles te willen vertellen van dien brief en van die uitvinding. Tot aan m'n strot zit alles. Malle brasem.... verrek, wie zei dat ook weer, malle brasem? Precies, daar heb je 't: vannacht in
„Flora"____ik heb dat tegen mezelf gezegd: malle
brasem; de heele zaal eet gebraden eendvogel en ik mag toekijken. Ik zal toch waarachtig geen tranen in mijn oogen krijgen, een groote kerel op mijn leeftijd?"
„Trek 't je niet aan, broer", zegt Frans Hokkert.
Hij weet niet, wat hij aan dien vent heeft. Als dat een moordenaar is, laat hij zich op staanden voet ophangen. Die vent een misdadiger.... dat is óf de grootste hannes, die hij ooit tegenkwam, óf Louis Bouwmeester kan bij hém nog in de leer gaan.
„Me niet aantrekken", kermt Jacobus Fredericus.
Als de vent dan nog niet begrijpt hoe onge־ lukkig ik ben, dan zal ik 't vertellen.
En achter elkander ratelt nu het relaas van den dag van gisteren. Hoe hij dien brief open־ maakte... een pure vergissing, anders niet.... Hoe hij toen met een brutaal gezicht naar dien
f
110