kon־ie wel stelen gaan____ want die steun, die
steun.... wie dat een arme flikker misgunt of te hoog vindt, zal zelf nooit meer te verteren krijgen zeg ik altijd maar."
„En schrokte niet erg, toensie hoorde, dat
meneer Masters dood was____ Hij kende 'm
immers nogal goed, nietwaar?"
„Kennen.... nou ja, kennen en kennen is twee.... Hij is gisteren bij 'm geweest en toen hebben ze met mekaar gesmoesd, weet ik veel waarover.... hij zal 'm om een betrekking ge־
vraagd hebben, denk ik____Maar geschrokken____
beste man, hij weet nog geeneens, dat de arme ziel overleden is....
„Zoo", bromt Hokkert; dat is dus boffertje nummero zooveel: nou den verdachte met de mededeeling overvallen, 's Kijken hoe het ventje in zijn eerste schrik reageert.
„Dan zal ik maar eens eventjes naar boven wippen", zegt hij.
Naar boven wippen, jawel, morgen brengen.
Het is een hijsch van de andere wereld, voordat je bij dat dakkamertje bent.
Hij klopt.
Binnen mompelt een slaperige stem wat en meteen zwaait de deur open.
„Morgen!" zegt Frans Hokkert vriendelijk; hij kan lief zijn.
106