Op het tooneel goochelt de Chinees een eend uit een hoogen hoed....
״Dus toch niet in de kist----!"
Een eend, gebraden en wel. Om de pooten van het beest zitten van die malle, gekartelde papier־ tjes. Die hebben de houten kippen in de etalage van Heek ook altijd en de kop van het beest steekt in een papieren zak, dat doen ze bij kalkoenen en zoo. Het dooie beest vliegt door de zaal en Jacobus denkt: „Als ik nou maar een betere plaats had, dan kon ik het loeder te grazen nemen, een
bil d'r van af draaien en opbikken____"
Malle brasem is hij toch: zit in een schouwburg, die niet meer bestaat, die finaal uitgebrand is. Kijkt naar een dooie eendvogel, die rondvliegt — wat niet kan, wat godsonmogelijk kan bestaan, net zoo min als Marietje, wier achternaam hij niet meer weet!
Als hij nou maar op een hoogeren rang zat, dan kon je alles veel beter zien en begrijpen, ja be׳׳ grijpen! Zou die dooie eendvogel kwaken, als je'm
beetgrijpt----?
„Wil ik je een handje helpen" vraagt Marietje. Hoe wist zij nou, dat Japie niks zien kan?
„Jij mij helpen?" denkt Jacobus Fredericus de Brie, „stom wicht, je hebt gisteren geeneens je jaartallen gekend", maar hij zegt: „Als je wilt... graag!"
101