Jacobus Fredericus de Brie heeft, nu zijn ge־ snurk ophield en voor hij wakker wordt, een zonderlingen droom:
Hij zit in ״Flora en op het tooneel knipt een Chineesche goochelaar een waterstraal in twee stukken; elk stuk blijft afzonderlijk doorstroomen. Stampvol is het in de zaal. ״Malle brasem ben ik", denkt Jacobus de Brie, ״Flora" bestaat toch niet
meer----Het is afgebrand en Leon Boedels is ook
al dood, zou hij zijn hoed mee in de kist hebben genomen?" Hij zit daar maar in de zaal en op het tooneel mompelt de Chinees allerlei onverstaan־ bare woorden. Een slechte plaats heeft Jacobus Fredericus. Hij zit te laag. Hij ziet wat van de beenen van het mannetje op het verlichte tooneel en bij elke toer, die het ventje verricht, denkt hij: ״Als ik nou wat hooger zat; dan kon ik alles heel
goed zien----"
Tja, als hij maar wat hooger zat! Komt daar opeens naast hem zitten: Marietje. Jaren geleden zat ze bij hem in de klas. Komieke vlechten had dat kind toen al. Veranderd dat ze is, dat een mensch zoo veranderen kan. Ja kind, dat doen de zorgen! Maar ze kent hem nog en ze zegt: „Dag Japie", zoo noemde de meester hem
vroeger. En hij zegt: „Dag Marietje"____ als hij
nou maar haar achternaam wist.
100