ochtend tegen haar. ״Wat moeten die wel denken, dat ik een ouwe vrouw in het holst van de nacht aan de wastobbe laat staan."
״De buren," smaalde grootmoeder, ״de buren . . . laat die maar gluren ... ze zullen het wel bezuren, al duurt het uren. Heb je misschien liever dat ze in de buurt gaan rondvertellen, dat je linnengoed vergoort en versmeert?"
Die ene krachtige poging om haar desnoods bij de wastobbe vandaan te jagen, was de laatste, die ondernomen werd. Van toen af bleef grootmoeder onbetwist heerseres over de vuile was, de wastobbe, het wasbord en de zachte boender.
Maar nooit is mijn moeder heengekomen over de vrees, dat de buren haar zouden verwijten, dat het ouwe mens op die hoge leeftijd nog zo moest ploeteren. De beduchtheid voor het oordeel van de buurt speelde een grote rol in moeders leven. Grootmoeder wist van die vrees nu en dan goed profijt te trekken. Meende ze soms reden te hebben tot werkelijke kwaadheid, dan at ze niet. Ze vastte dagen achtereen. En ze bleef van 's morgens vroeg tot 's avonds laat voor het huis op de stoep zitten. Als een verstotene, een bedelares, een melaatse. Alle buren zagen natuurlijk, dat ze daar zat, zolang het licht was; en zonder eten of drinken. Dan stierf moeder bijkans van schaamte. Maar op een of andere onnaspeurlijke wijze school juist daar voor grootmoeder het zoet der wrake. De honger mocht aan haar ingewand knagen . . . wanneer de buren veronderstelden, dat haar dochter haar, haar bloedeigen moeder, liet doodhongeren, dan voelde ze zich voldaan. Grootmoeder Gitele was fanatiek, haar fanatisme overschreed verre de grenzen van haar eigen welbehagen. In haar karakteristieke vorm van wraak
24