van, als grootmoeder uren en uren midden in de huiskamer bij een olielampje met een naald zat te priegelen. Rauwe spiering bezit namelijk een zeer doordringend aroma, dat moeder het liefst tot de keuken beperkte. Een ander privilege, dat grootmoeder zich zelf had toegekend was het doen van de grote was. Iedereen kent de traditionele manier van wassen. Het vuile wasgoed wordt eerst een uur of zes in een grote ketel op het gasstel gekookt; de geur van zeepsop en zo verspreidt zich door de hele woning. Dan wordt het goed uit de ketel gehaald en in een tobbe met schoon water gezet om uit te soppen. Daarna gaat het uit die grote tobbe stuk voor stuk naar een kleine tobbe, die op een klein tafeltje of krukje is geplaatst. In die kleine tobbe zit warm zeepsop en het goed wordt op de zinken gerimpelde bovenkant van een wasbord schoongeboend. Vervolgens wordt het, met de hand, boven de gootsteen uitgewrongen, gedroogd en gestreken.
Alle karweitjes, die de grote was veroorzaakte, mocht mijn moeder verrichten, behalve één: het boenen en schrobben op het wasbord in de kleine tobbe. Dat was grootmoeders karwei. Ze had het haar hele leven gedaan. Niemand kon het zo goed als zij; tenminste, dat beweerde ze zelf. Dat voorrecht liet ze zich niet ontstrijden. Elke week begon op Maandag een gesprek, ongeveer op dezelfde manier:
״Moet U nou morgen weer aan de wastobbe gaan staan?" vroeg mijn moeder.
״Begin je weer?" antwoordde grootmoeder met een wedervraag.
Dan zuchtte moeder, maar ze zei niets. Juist dat zwijgen prikkelde grootmoeder.
22