verschil tussen de schuilkelders in de stad en die in het East End. Het was Vrijdagavond en de Sabbath was al ingegaan. Op het perron hing een sfeer van gezellige huiselijkheid. Alsof er een grote picnic aan de gang was. De mensen zaten in een grote ellips bij elkander. Op krukjes, op stoelen , op geïmproviseerde schragen. Niemand zat op de grond. Jonge meisjes gingen met een blad vol theekopjes ïond. Iemand gat een schotel met stukken koek verder. Er werd druk gepraat. Er werd gezongen.
Het gerucht van de nachtelijke luchtoorlog drong tot deze diepte niet door. Het gedreun van de treinen, die langs de perrons daverden, stoorde de mensen nauwelijks.
״Wat een visite," zei een goedmoedig vrouwtje, ״zoveel mensen heb ik op Vrijdagavond nog nooit aan tafel gehad. Wilt U wel geloven, dat het in de shelter veel gezelliger is dan thuis."
Het werd een van de vreemdste Vrijdagavonden, die ik ooit heb beleefd. Een familiebijeenkomst van honderden verwanten. Af en toe kwam een ,warden' in de grote kring.
״Even een kopje thee halen en een chocolaadje eten." ״Hoe is het buiten?"
״Kalm vanavond... ze vliegen wel over, maar ze hebben in het East End nog niets laten vallen." Tegen elf uur kwam Ellen Wilkinson een kijkje nemen. Dat was voor het overige niets bijzonders. Ellen was toen onderminister en in het bijzonder verantwoordelijk voor de veiligheid en de orde in de openbare schuilgelegenheden. Met een klein auto-tje pufte ze door de brandende stad. Zelf achter het stuur. Het kittige kleine vrouwtje met haar zwarte dikke jas, de
201