aards geluk. Jankele zat nu stil voor zich uit te staren. Bijna onmerkbaar aaide hij de hand van Sidney. ״Vertel eens wat," brak Ben de broze sfeer van vertrouwelijkheid, ״ben je al boven Berlijn geweest?" Sidney wilde liever niet over zijn werk praten. ״Militaire geheimen," grinnikte hij, ״de vijand luistert mee."
״Oei," hoonde Ben's vrouw, ״aan een Sabbathmaal zeker .. . waar is de vijand? Amalek lust geen aardappelpoffer, daar komt geen Duitser door heen." ״Hmmm," zei Ben met een bloeddorstige grijns, die komisch was in zijn lobbesachtig gezicht, ״wat zou ik graag eens een keertje met je meegaan. . . een paar honderd van dat tuig doodgooien .. . pats .. . pats. . . en schieten . . . ratatatata . . ."
Ben was opeens aan een hysterische opwinding ten prooi. Zou dat goedmoedige bontwerkertje heimelijk een bloeddorstige agressor zijn?
Maar Sidney bleef stil voor zich uit kijken en langzaam alsof hij elk woord woog, zei hij:
„Dat valt niet mee . .. Het erge van zo'n vliegtocht is, dat je zoveel tijd hebt om na te denken. Je zweeft boven de wolken en er is geen maan, alleen maar sterren, millioenen sterren, waar je tussen hangt. Je hebt helemaal niet 't gevoel, dat je je verplaatst. Je bent zelf een ster... en dan wordt je hoofd zo leeg van binnen, hoe zal ik het zeggen, leeg en vol tegelijkertijd. Dat klinkt gek, maar zo is het toch. Leeg van gewone gedachten en vol van andere gedachten, gedachten over iets, dat geen naam heeft. Soms denk ik wel eens, als je dood bent zweef je zo tussen de sterren ..." „God beware," viel Jankele verschrikt uit, „zulke gedachten mag een mens niet hebben ..."
196