״Gezegend zullen alle mannen van de R.A.F. zijn, de Joden en de Christenen."
״U hebt gelijk," zei Jankele bedachtzaam, ״ik denk alleen aan mijn Sidney. Egoïst, dat ik ben." En op dezelfde toon herhaalde hij: ״Gezegend zullen alle mannen van de R.A.F. zijn, de Joden en de Christenen, amen."
Op een dag vroeg Jankele me of ik zin had de volgende Vrijdagavond naar het East End te komen. Naar Goul-stonestreet. Daar woonde hij. Als commensaal, want een man op jaren, zoals hij, kon niet meer alleen wonen. Ik moest maar vragen naar Ben Shapiro, de bontwerker. Zo heette zijn kostbaas. Maar ik moest een beetje vroeg komen en ik moest er ook op rekenen, dat ik zou blijven eten.
״Hoe laat, of liever hoe vroeg, zal ik komen?" vroeg ik. ״We beginnen om zes uur te eten. Dan kunnen we op ons gemak praten, voordat het signaal van het luchtalarm gaat."
In die tijd kwam de Luftwaffe prompt elke avond om half negen.
Ben Shapiro, de bontwerker, bewoonde twee ineen-lopende voorkamers in een bakbeest van een stenen gebouw, waar op elk portaal de kleffe lucht hing van goor wasgoed en grote gezinnen. Kinderen had Ben niet. Zijn vrouw werkte mee in de bontwerkerij. Eén kamer was slaapkamer en werkplaats tegelijk. Slaapkamer voor Ben en zijn vrouw, werkplaats voor Ben en Jankele. De andere kamer was woonkamer en slaapkamer. Woonkamer voor Ben, zijn vrouw en Jankele; en achter het gordijn stond een divan, daar sliep Jankele. Dan was er nog een ondiepe kast. Dat was de
194