Maar Londen onder de aanvallen der Duitse vliegmachines wis een vrolijke keuken, waar een krankzinnige van droomt, wanneer hij een nachtmerrie heeft. Gevels stortten in en mensen werden bedolven. Maar tien huizen verder flaneerden de leuke meisjes op het trottoir en lonkten naar de klanten. De straten lagen bezaaid met walmende brandbommen. Kleine beekjes van brandende fosfor sijpelden langs het bolle wegdek naar de goten. De taxi-chauffeurs reden zig-zag-kringetjes om die smeulende explosieven onder het gewicht van de wagen te verpletteren. Elke keer als ze bij die duivelse Slalom-rit zo'n bom verpletterd hadden, zetten ze met een krijtje een streepje op de kant van het portier. Ze turfden.
Onderwijl vlogen brokken van huizen door de lucht. Onophoudelijk regende een fijne hagel van stukjes shrapnell op de daken en op de mensen in de straten. Tijdens een luchtalarm bleven de Britten op straat; als je naam niet op de bom staat, hoef je er immers niet bang voor te zijn. Als de gasleidingen onder de grond openscheurden, spoten vlammen omhoog, door de bestrating heen. Dan liepen de wandelaars met een boogje om dat vuurtje verder. Een hélse vrolijke keuken. In alle café's en restaurants werd gedanst. Elke avond tot diep in de nacht; en toen de ene bom in Café International op Leicester Square viel, — kwak — tussen de dansende paren, pijpte de Dood de melodie voor de grote quadrille naar de eeuwigheid. Een blok verder in Lyons' Cornerhouse, waar ze de slag van de explosie hadden gehoord en vooral hadden gevoeld, tot diep in het bibberend ingewand van elk dansend doodsbang mensenkind gevoeld, begon het orkest te spelen: ״The King
189