DE KONING VAN LAMPEDUSA
Waarom koopt u niet een nieuw costuum?" vroeg mijn secretaresse me op een morgen, toen in de afgelopen nacht een monsterlijk-grote Duitse bom een gat in de bestrating van Piccadilly had geslagen, ruim genoeg voor een behoorlijke hofstede, die er in zou kunnen ronddraaien.
״Ik heb wel andere kopzorg," weerde ik af, ״een nieuw costuum? Voordat het klaar is, ben ik misschien al lang dood en begraven."
״Wij Engelsen zeggen: als je naam niet op een bom staat, hoef je er niet bang voor te zijn ... en als je naam er wél op staat, hoef je hem niet te ontlopen, want dat helpt dan niet."
״Kan wel zijn," probeerde ik het weeë gevoel van onzekerheid met een goedkoop cynisme weg te lachen, ״maar die Duitsers gooien ook bommen, waarop staat: To whom it may concern." ״Not funny," oordeelde mijn secretaresse. De koelbloedigheid, waarmee de Britten over dood en doodsgevaar spraken, heeft me de jaren van de oorlog, toen ik in Londen woonde, altijd geërgerd. Tegelijkertijd voelde ik een beetje afgunst. Soms is gebrek aan verbeeldingskracht een rijk bezit.
Een gesprek over een nieuw costuum lijkt een krankzinnige inval, wanneer de dood zijn helse dropjes laat regenen, van 's avonds zeven uur tot 's morgens tien.
188