tweede generatie kan er altijd beter aarden, dan de eerste."
„Zou je naar Nederland terug willen?" vroeg ik, gedachteloos eigenlijk. Haar antwoord verraste me: „Ik geloof, dat ik een mens ben van twee werelddelen. Eerste generatie. Ik ben blij wanneer ik in Israël ben, maar als ik hier ben, voel ik toch, dat ik ginds wat mis. Och ja," zei ze peinzend, „misschien zit er toch wel iets in dat oude gezegde, dat het de taak van Israël is om als zuurdesem onder de volkeren der aarde te gaan." „Nou blijf dan hier . . ."
„Nee," zei ze plotseling resoluut, „die aarzelingen zijn maar losse gedachten. Mijn besluit staat vast. Ik kom niet terug. Je moet niet vergeten: Wolf voelt zich in Israël volkomen gelukkig. Werkelijk volkomen. Ik heb nooit geweten, dat hij zo gelukkig kon zijn. Hij heeft in de kiboets de bestemming van zijn leven gevonden." „Wat doet hij er voor werk? Electricien?" vroeg ik. „Nee," lachte ze, „hij heeft nog altijd twee linkerhanden en aan elke hand vijf duimen ... en al is de bodem van Eretz vruchtbaar, een linkerhand blijft een linkerhand. Nee, hij is er zo'n beetje Manusje van alles ... hij loopt al tegen de vijftig, moet je rekenen." „Hier in Nederland heeft hij het ghetto altijd willen ontvluchten," zei ik. En zij antwoordde op ernstige toon: „Het heeft vijftig jaar geduurd voordat hij zijn les had geleerd: hij is het ghetto ontvlucht, in de kiboets."
187