״Het is wel waar."
„Ben je Zionist geworden . .. jij?"
„Ik ben niets geworden ... ik ben gebleven wat ik altijd ben geweest. Maar ik ben zat van de hele rommel. Het zit me tot hier. Ik heb na de bevrijding geen seaonde gehad, dat ik me werkelijk tevreden heb gevoeld. Onze bevrijders waren echt, maar de bevrijding is een fabel. Ik geloof, dat geen enkele Jood werkelijk bevrijd is; de boeien van de bezetting hebben hun littekens achter gelaten."
Zo trok Wolf naar Israël, met Mirjam en de jongen, die Sacco heet.
Het schijnt, dat het hun daar vrij goed gaat. Een of tweemaal per jaar krijg ik een brief van hen, zo'n nietszeggende brief met „hoe gaat het met jou en ons gaat het goed en doe alle kennissen de groeten van ons," zo'n brief, die toch eigenlijk niets verraadt van wat er bij de schrijver omgaat.
Maar onlangs is Mirjam in Nederland geweest. Oh, niet om er te blijven. Stel je voor! Er moest een of andere kwestie geregeld worden, iets van het Beheersinstituut of iets dergelijks, en dat kon niet per brief gebeuren, dus kwam ze maar zelf.
Bij een gemeenschappelijke kennis heb ik haar ontmoet. Ik vond haar niet zo veel veranderd. Een beetje rode kleur had ze, dat is waar. Hoge bloeddruk, vertelde ze me. Waarschijnlijk een gevolg van de warmte. „Het gaat ons best in Israël," vertelde ze. „Mijn man en ik wonen in een kiboets. Onze zoon heeft zijn naam ' veranderd, zijn voornaam. Hij woont in Tel Aviv. Ja hij is al getrouwd en het gaat hem niet slecht, maar je moet niet vergeten, dat Israël een pioniersland is. De
186