sen, die zichzelf tot kalmte hypnotiseerden met de woorden:
״Het kwaad zal zich in Nederland niet herhalen." Ze waren als bange kinderen in een groot donker bos. Ze maakten veel gerucht. Ze vonden steun aan elkander. Ze hadden een onbeperkt geloof in de weinige en primitieve wapens, waarmee ze het gevaar zouden keren. Maar het gevaar was onweerstaanbaar en ze wisten het.
Niet de Duitse invasie was voor hem en honderdduizenden anderen de grote teleurstelling. Achter in hun hoofd hadden zij altijd geweten, dat zoiets ééns zou gebeuren. Maar hun hart brak toen de Waterlinie niet het magische verdedigingsmiddel bleek, toe de Magi-notlinie bezweek en Generaal Gamelin niet meer was dan een stofje in een zondvloed. Een wereld zakte in elkaar.
Omtrent Wolf's en Mirjam's houding tijdens de bezetting stemmen alle verhalen overeen. Ze hebben zich kranig gehouden, die twee.
Hij sloot zich aan bij een groepje uit het ondergrondse verzet. Zij hielp zoveel zij kon. Een belangrijke rol heeft hij daar niet gespeeld, dat is waar. Maar dat kon hij ook niet. Hij bleef ook in die tijd in de eerste plaats een mens, die in de practijk moeilijk mee kon. Hopeloos onhandig. Maar hij verschool zich achter geen enkele uitvlucht, toen men hem vroeg mee te doen. Toch zou het hem gemakkelijk genoeg gevallen zijn een of ander voorwendsel voor een weigering te verzinnen. Joden waren ondergedoken. In het illegale werk liepen ze extra gevaar, wanneer ze werden gepakt. Anderen konden nog proberen zich er uit te
183