gezien uit de Duitse hel te ontsnappen, ontnam aan dit zelfbedrog echter spoedig elke grond. Mirjam had /.ich, spontaan en hartelijk, opgegeven voor een van de vele comité's, die de hulp aan deze stakkers wensten te organiseren. Maar de aanblik van de haveloze vluchtelingen, had bij Wolf gevoelens wakker geroepen, die hij bij zich zelf niet had vermoed. Hij zag vrome Joden uit Duitsland, maar veel meer vluchtelingen, die kinderen waren van assimilanten. Hun ouders hadden opzettelijk en weloverwogen de traditionele en conventionele banden met het Joodse verleden doorgesneden. En het had niets gebaat.
״Ze zijn aan het ghetto ontvlucht, aan het geestelijk ghetto, .. . maar nu worden ze er weer in teruggesmeten," klaagde hij, toen hij en Mirjam over hun ervaringen spraken. En zonder dat zij het elkander bekenden, dachten ze allebei aan de kleine Sacco ... Die zin van het geestelijke ghetto zat echter met duizend weerhaken in Wolf's gedachtenleven vast. Te lang had hij op dat dogma geleefd, hij kon er nu niet zo gemakkelijk afstand van doen. Als hij Mirjam kwam opzoeken in het grote lokaal op de Lijnbaansgracht, waar de centrale hulp voor de vluchtelingen was gevestigd, zat hij meestal met groepjes vluchtelingen te praten. Dan mengde hij zich in het gesprek en na enkele minuten kwam dan gewoonlijk die zin uit zijn mond. Zo dacht hij er over, nog steeds. Maar hij sprak de woorden zonder overtuiging uit. Hij had dikwijls het gevoel, dat ze hun kracht en betekenis voor hem hadden verloren; dat hij de woorden gebruikte, als een automaat. In een van die gesprekken ving hij een uitspraak op, die hem sterk boeide: ״Der Feind macht uns zum Volk."
181