die in Amerika gevangen waren genomen en ter dood zouden worden gebracht. Onschuldig zijn die twee mensen, beweerden de mensen, die het weten konden. Wolf en Mirjam leefden met die strijd om het leven van die twee mensen zeer intens mee. De een heette Sacco, de andere Vanzetti.
Om aan hun bewondering uiting te geven, hebben ze hun eerste zoon toen Sacco genoemd. Het was in elk opzicht een prachtige oplossing: de naam was zinrijk, zij braken weer eens met een traditie ... en de naam begon met een S.
De schok, die door Nederland ging, toen in 1933 de vervolging der Joden in Duitsland zulke onmenselijke vormen aannam, liet ook Wolf en Mirjam niet onbewogen. Evenals zoveel mensen in ons land hadden ze in het begin moeite te geloven, dat de verhalen in de kranten inderdaad op waarheid berustten. Ze wisten wel, dat het anti-semitisme in Duitsland nooit geheel verdwenen was, en dat het nu eens diep dan weer dicht onder het oppervlak van een ogenschijnlijk-roman-tische volksziel, op de loer lag. Maar hun aanvankelijk gebrek aan geloof in de gruwelijke werkelijkheid, had iets uitstaande met hun heimelijke wens, dat de berichten niet waar mochten zijn, omdat zij anders de dreiging van een golf van haat tegen Joden ook zo verschrikkelijk dicht bij hen in Nederland brachten. Wanneer ze, tegen beter vermoeden in, tegen elkander zeiden:
״Het is wel erg, maar de kranten zullen wel over
drijven," . .. bedoelden ze eigenlijk:
„Zoiets kan hier niet gebeuren."
De eerste stroom van vluchtelingen, die kans hadden
180