Mirjam lag haar kraam thuis uit; het kind was een jongen.
Met de verpleegster maakten zij en Wolf toen een afspraak; het had meer weg van een samenzwering. De brave baker hield stijf en strak vol, dat de jonge moeder door dat eerste kraambed zeer verzwakt was, ja, en de dokter had haar bijzonder op het hart gedrukt er toch vooral voor te zorgen, dat de kraamvrouw zich niet opwond. Geen lange familiebezoeken, geen kibbelpartij-tjes. In de kraamkamer moest de meest volstrekte stilte in acht worden genomen.
Dit complot heeft veertien dagen geduurd. Geen van de schoonouders dorst over de besnijdenis spreken. Toen was de termijn ruimschoots verstreken, want volgens wet en conventie en traditie, moet de besnijdenis op de achtste dag plaats vinden. De ouders van Wolf en Mirjam spraken er nooit meer over. Het kind, hun eerste kleinzoon, was hun erg lief. Wolf snoefde wel een beetje erg opvallend in de kring van zijn kennissen en vrienden, dat hij nu metterdaad had bewezen aan het geestelijk ghetto ontvlucht te zijn.
Alleen was er nog even een kleine strubbeling geweest, toen de baby een naam moest hebben. Wolf's vader heette Samuel, en de oude heer stond er op, dat zijn eerste kleinzoon naar hém zou worden genoemd. ״Wie noemt tegenwoordig nog een kind Samuel?" vroeg Wolf honend.
״Dan noem je hem maar Simon, als de naam maar met een S begint." ״Simon? Nog erger ..."
Maar ook uit deze greep der traditie wist Wolf zich te ontworstelen. Het was in de dagen, toen de wereld zeer bekommerd was om het lot van twee anarchisten,
179