pigste van alle conventies met voeten had getreden, doordat hij mij had uitgenodigd die eerste nacht op de divan te slapen.
Aan conventies en tradities had hij eeuwige haat gezworen. Tenminste dat beweerde hij. Maar ik vond altijd, dat deze afkeer nogal naar het caricaturale zweemde. Hij was een beetje Don Quijote, maar dan een dolende ridder, die streed tegen windmolens, welke hij eerst nog moest verzinnen, voordat hij er storm tegen kon lopen. Hij zag overal conventies en tradities, die hij moest breken — en deze afkeer op zich zelf was bij hem een traditie geworden. Besluiten, die geen enkele bijzondere betekenis bezaten, blies hij op tot proporties, die belachelijk waren. Maar hij was, als het er op aan kwam, een brave burgerman, waarop niemand kwaad kon worden.
Dat huisje aan de rand van de stad bijvoorbeeld. Het lag in een geheel nieuwe wijk. Veel bomen, veel weilanden, veel plantsoenen. Wijk en huizen waren producten van die schone tijd, toen Amsterdam naar hartelust kon bouwen. Het lag nogal voor de hand, dat jonge mensen hun voorkeur naar zo'n tuindorp voelden uitgaan. En wanneer ze dan allebei werk hebben, waarbij ze pas om negen uur in de stad moeten zijn, spreekt het vanzelf, dat ze zo'n licht huis aan de rand huren, in-plaats van een ouderwetse woning in de binnenstad. Maar Wolf dramatiseerde hun keus. Het gaf hun woning de schijn van een sensatie. Hij en Mirjam hadden zich beslist voorgenomen ״uit het ghetto te ontsnappen." Dat huis was het symbool van die ontsnapping.
Een ghetto in Amsterdam? Met een muur er om heen en een poort, die 's nachts gesloten wordt? Waanzin!
173