naderen. Hij was verloofd. Het eeuwige studeren stond hem ook een beetje tegen; en bovendien had hij gehoord, dat practisch werken in Delft een zeer voorname plaats naast de theoretische studie inneemt. Zijn verloofde deed niets om hem te bewegen toch maar naar Delft te gaan. Zij was onderwijzeres en ze genoot een redelijk inkomen. Als hij een baas kon krijgen in het electriciteitsvak, en zij bleef op school, konden ze van die twee salarissen samen een best leven krijgen. Kinderen konden nog wel even wachten; en als die helemaal uitbleven, was het ook goed. Waarom zouden die twee niet met volle teugen van hun jonge leven genieten?
Op Wolf's eindrapport waren alle leraren trots, dat wil zeggen: de leraren, die het theoretische onderwijs gaven. De anderen hielden vol, dat de begaafde leerling beter puinkruier kon worden dan electricien. Maar met dat rapport kreeg hij gemakkelijk een aardige betrekking. Met goede vooruitzichten voor een jongeman, die flink wil aanpakken, stond in de advertentie. Zijn eerste karwei was het aanleggen van een electrische huisbel. Bij dat werkje stond Wolf zo te stumperen, dat de klant hem het gereedschap uit de handen nam en zijn belletje maar zelf aanlegde. Die ene klant praatte er niet met Wolf's baas over, maar anderen legden niet zo veel discretie aan de dag. Twee weken later vervlogen de goede vooruitzichten voor de jongen die flink wou aanpakken in rook, want hij had zijn eerste ontslag beet.
Wolf stond tegenover zijn eigen tekortkoming vrij objectief. Hij poogde geen seconde de fout buiten zich zelf te zoeken. Hij wist ook precies waar de narigheden bij hem altijd begonnen: hij was een theoreticus, geen
171