door officieren, die moesten uitpluizen of er spionnen onder deze Nederlanders scholen. Deze laatste officieren nu maakten van hun bevindingen uitvoerige rapporten, die langs een of andere ambtelijke lopende band door allerlei bureaux schoven. Een van de stations was de lessenaar van Zephyr. Bij een ploegje Nederlanders, zeven in getal, die een maand of twee geleden met een bootje waren aangekomen, bevond zich ook die Jan Gerrit Bronkema. De zeven lui waren ondervraagd. De dienstdoende officieren hadden geen enkel verdacht teken opgemerkt. Niets, letterlijk niets. Als grappige bijzonderheid werd verteld, dat de opvarenden van het bootje dolgelukkig waren, toen ze hoorden, dat ze veilig en wel in Engeland waren aangekomen. In het bijzonder die Bronkema. Echt iets voor een sentimentele Engelsman om de ״human touch" in een ambtelijk rapport niet te vergeten. Die Bronkema zong de hele dag vaderlandse liedjes... hij zat nu al bijna twee maanden in dat gesticht (zolang duurde de ondervragingen soms) en het was nog steeds: ״Wilhelmus," van vroeg tot laat, afgewisseld met ״Wien Neerlands Bloed" en ״In een blauw geruite kiel." ״Dat is niet normaal," vertelde Zephyr me. ״Toen ik dat in het rapport las, zei ik tot mezelf: ,die vent speelt comedie.' Vaderlandsliefde is erg mooi, maar wie acht weken lang vier en twintig uur per dag het Wilhelmus zingt, wil zich voor iets anders uitgeven dan hij in werkelijkheid is."
Van het uur af, waarop Zephyr dat rapport had gelezen, stond het voor hem vast, dat deze Jan Gerrit Bronkema een spion was.
״Ik zelf had geen bewijs meer nodig. Ik wist, dat de vent verkeerd was. Ik geef graag toe, dat ik met een
157