sterk aan de dag getreden als in het geval van Jan Gerrit Bronkema.
Ik hoorde voor het eerst van Jan Gerrit Bronkema, toen ik Zephyr op een middag aan de lunch ontmoette in de Londense club, waarvan we allebei lid waren. Zephyr kwam na het eten op de luie leren canapé naast me zitten. Hij zei:
״Heb jij wel eens van ene Jan Gerrit Bronkema gehoord ... hij komt uit een dorpje in de buurt van Utrecht."
״Nee .. . die naam zegt me niks."
״Nooit die naam gehoord of gelezen... in een of andere lijst van N.S.B.-ers of zo?"
״Bij miju weten niet. Maar er zijn hier in Londen toch wel mensen, die in de buurt van Utrecht hebben gewoond. Die moeten er toch meer van weten." ״O ja.. . die Bronkema woont in de plaats, die hij opgeeft."
״Is hij hier. . . Pas aangekomen, zeker?"
״Ja. .. een maand of twee geleden. Ik heb van de
eerste dag af het rare gevoel gehad, dat de vent niet
zuiver op de graad is."
״Hoe ziet hij er uit?"
״Dat weet ik niet. Ik heb hem bij mijn weten nog nooit gezien ... en ik ben ook niet van plan hem spoedig te gaan zien."
En bij stukjes en beetjes vertelde hij mij toen een verhaal, het verhaal van Jan Gerrit Bronkema. Als er Nederlanders uit het vaderland waren ontsnapt en in Engeland aangekomen, werden ze in een soort gesticht ondergebracht. Daar werden ze door allerlei ambtenaren uitgevraagd. Ambtenaren, die gegevens moesten verzamelen over Nederland. En natuurlijk ook
156