de brieven met mijn eigen ogen gezien. Maar hij heeft altijd geweigerd.
״Waarom?" heb ik hem eens gevraagd, „een zwervers-natuur, zoals jij . . . een cosmopoliet. .. wat maakte het voor jou voor verschil of je nu Nederlander of Engelsman bent?"
Hij keek zeer ernstig, toen hij antwoordde: „Nederland is mijn moederland."
Ik herinner me, dat ik die uitdrukking: moederland, indertijd een malle verspreking heb gevonden. Toen de tweede wereldoorlog eindelijk uitbrak, zat Zephyr in Engeland, gereed om een rol te gaan spelen in de verdediging van een zaak, die spoedig ook de Nederlandse zou zijn. Wanneer ik hier neerschrijf, dat hij met een zekere genoegdoening zijn oude vak van man uit de contra-spionnage weer opvatte, dan geef ik slechts weer wat hij mij zelf herhaaldelijk heeft verteld. Veel sympathie voor Duitsers schijnt hij nooit te hebben bezeten, maar de Nazi's haatte hij als een besmettelijke ziekte. Hij maakte jacht op iedereen, die ook slechts in een flauwe verdenking van spionnage stond — en hij deed dat met een ijver, ja met een bezeten hartstocht, die verre uitging boven beroepsmatige plichtsbetrachting of vaderlandsliefde. Ik moet hier echter aan toevoegen, dat hij zelden missloeg. Wanneer Zephyr verdenking jegens iemand koesterde, kon men er bijna een weddenschap op afsluiten, dat hij vroeg of laat raak zou slaan. Het zou me niet moeilijk vallen uit de tweede wereldoorlog een zevental gevallen te vertellen, waarin Zephyr de man is geweest, die een spion ontmaskerde en naar het schavot stuurde. Maar in geen geval is zijn merkwaardig vermogen om „spionnen te ruiken" zo
155