een kloppartijtje geweest was. Maar de twee vrouwen klampten zich in het gedrang aan Zephyr vast. Het waren twee Engelsen. Ze waren uitbundig in hun dank, hulpeloos in hun angst voor nieuwe opstootjes en onweerstaanbaar in hun smekend verzoek om door die dappere Hollander naar hun hotel te worden teruggebracht.
Zephyr begeleidde die twee vrouwen naar het Victoria Hotel. Hij bleef er om thee te drinken. De volgende dag moest hij op de lunch komen. Hij revancheerde zich door aan te bieden de twee vrouwen de stad te laten zien, zoals vreemdelingen Amsterdam niet gemakkelijk leren kennen. De twee Engelse vrouwen verlengden hun bezoek aan Holland — dat was trouwens dringend nodig, want de ene zou met Zephyr trouwen, voordat ze naar haar eigen land terug zou gaan en er moesten bij de consul allerlei futiliteiten in orde gemaakt worden. Toen het drietal zich een week of vijf later inscheepte, was Zephyr da Costa een getrouwd man. Zijn echtgenote bezat een eigen kapitaaltje, dat voldoende rente opleverde om er in haar villa-tje bij Blackpool behoorlijk van te kunnen leven.
Het klinkt als een stuiversroman, maar soms is een stuiversroman echt gebeurd.
Wat heeft Zephyr uitgespookt in de tijd tussen twee wereldoorlogen? Ik weet het niet. Mijn pogingen om over die periode iets van hem te weten te komen, zijn vruchteloos gebleken. Wel is het mij bekend, dat zijn huwelijk een daverende mislukking is geworden. Die Engelse vrouw kreeg een zoon van hem, en de geboorte van het kind schijnt de periode te hebben afgesloten, dat man en vrouw samen in één villa konden leven. Hij
153