ver te fantastisch en te grotesk had geleken om er langer dan een vluchtige seconde bij te verwijlen. ״O, heel eenvoudig," zei hun dochter ijskoud, ״ik ga varen. De vrouw is verplicht de man te volgen . .. Daar houd ik me aan. Waar Jan gaat, gaat Elly ook." Wanneer ze in dat Joodse diamantbewerkersgezin van Rens de boodschap hadden ontvangen, dat hun dochter was uitverkoren om de troon van Haile Selassie te bestijgen, hadden ze niet vreemder kunnen kijken. Hun dochter een . .. zeeman, of liever een zeevrouw. Wie had ooit zoiets geks op een viool horen spelen. Tonelisten hadden ze in de familie, beroepskomieken en vrijwillige zotten, maar waar hadden zij, vader en moeder van een eerzaam Joods gezin in het hartje van Amsterdam, het aan verdiend, dat juist hun dochter met zo'n waanzinnige gedachte moest worden besmet? Er is lang over dat dolle plan geredekaveld, maar natuurlijk was het slot, dat Elly haar zin doorzette. Die twee, zij en Jan, gingen met hun eigen schip op de huwelijksreis. Naar de Oostzee om een lading aardappelen naar Helsinki te brengen. En daarna naar Duinkerken, en toen oversteken naar Grimsby, en vervolgens naar Bordeaux en eindelijk, na een paar maanden reizen en trekken, weer een dag of wat in Amsterdam. Maar eerlijk is eerlijk: uit elke haven kregen de oude luidjes in de Transvaalbuurt een telefoontje of in elk geval een telegram. En minstens drie keer in de week een lange brief.
Zo kreeg Jan Klugkist een vrouw aan boord. En zo is Elly Rens een zeevarende getrouwde vrouw geworden. Wie haar zag, moest tot de slotsom komen, dat ze de vervulling van haar levenswens had gevonden. Ze hielp Jan met de administratie en de correspondentie. Ze
132