reizen; en ze horen er welke vrachten op hen liggen te wachten. Dat kantoor heeft een stukje van de atmosfeer, die een rederskantoor in de vorige eeuw moet hebbep bezeten. De kantoren van de grote scheepvaartmaatschappijen tegenwoordig zijn hyper-moderne zakelijke affaires. Klerken bevolken de verschillende afdelingen: en als er niet kleurige reclameplaten aan de muren hingen met schepen er op en witte stranden onder blauwe luchten — dan zou zo'n kantoor even goed een bankiershuis kunnen zijn, of een zaak in koloniale waren. Maar het kantoor van Gruno aan de havenkant is van de zee vervuld, omdat de reizen van de kustvaarders altijd van betrekkelijk korte duur zijn. Gaand en komend zeevolk brengt veel gerucht. Er hangt de intieme sfeer van een kantoor, waar iedereen met elk schip meeleeft, van de directie tot het ventje, dat de postzegelkas beheert — en iedereen weet alles van het persoonlijk wel en wee van elke varensgast. Wie op zo'n kantoor werkt en geen heimwee krijgt naar het zout van de golven, dat moet wel een trage dromer zijn. Elly kreeg dat verlangen gauw genoeg te pakken. En elke varensgast, die op het kantoor moest zijn, had dat jonge kittige zwarte meiske onmiddellijk in de lamp. Jan Klugkist haalde de prijs weg, de eerste prijs. Toen die twee hadden besloten, dat ze samen verder de grote reis door het leven zouden maken, vroegen de oudjes in de Transvaalbuurt:
״Vind je het niet naar, Elly, om met een zeeman te
trouwen . . . zeemansvrouwen zijn veel alleen."
„Ik niet," zei Elly koelbloedig, „ik ben niet van plan
één seconde alleen te zijn, en Jan ook niet."
„Hoe bedoel je dat?" vroegen haar ouders, die een vaag
vermoeden kregen van een denkbeeld, dat hun tot dus-
131