mannen zullen vannacht de wacht houden, ze blijven wakker. En ik heb al een dut gedaan, ik blijf ook wakker. Ik blijf vannacht hier in het ruim .. . en nou in godsnaam ga slapen!"
Het werd tóch een bewogen nacht, al waren de vier geheimzinnige mannen doodgewone vluchtelingen, die geen kwaad in 't schild voerden. Tegen drie uur klonk ergens buiten op zee een doffe knal. „Een bom," zei iemand. Iedereen was klaar wakker. Kinderen begonnen te huilen.
Na een paar minuten klonk het gedreun opnieuw. Drie keer, vier keer.
„Bommen," zei weer iemand, „stil, een vliegmachine." Het gezoem-zoem-zoem van een vliegtuig werd duidelijk hoorbaar. Was het onze angstige verbeelding of cirkelde de machine werkelijk om het schip? Toen klonk een scherp ratelend geluid. Een spoor van lichtende kogels streek over en langs het schip; tussen de kieren van de luiken scheen het een ogenblik alsof buiten vuurwerk werd afgestoken.
Beklemmend stil was het in het ruim. En juist op het ogenblik, dat men dacht: nu gaat zo dadelijk een vrouw gillen, klonk de rustige stem van Elly: „Ziezo. .. dat hebben we alweer gehad. Een Duitse vliegmachine, die geprobeerd heeft ons te bombarderen ... en dat ratelende geluid was het afweergeschut van de Britse kruiser... O, wisten jullie dat niet? Er vaart een Britse kruiser vlak bij ons... ter bescherming van een heel convooi... ik heb het eigenlijk niet mogen vertellen, maar enfin, jullie weet het nu toch. Ik heb toch gezegd, dat iedereen rustig kan gaan slapen."
128