dit zeggen: ik vaar nou al een jaar of vijf en mijn ervaring is, dat een zwemvest grote flauwe kul is. Als we een torpedo krijgen of een bom zijn we allemaal dood, voordat we in het water liggen. Dat kan iedereen begrijpen niet waar... eh ... ik heb dat malle ding straks om mijn lijf gebonden, omdat de voorschriften nu eenmaal zo luiden en je nooit kunt weten hoe je aan de wal wordt gecontroleerd. Maar zodra we varen, doe ik dat gekke corset altijd uit. Het bederft mijn figuur! Jullie zult zien, dat mijn man ook geen zwemvest draagt... en nu gaat iedereen bedaard een plaatsje uitzoeken onder de zijboorden."
Zo begon die spookachtige tocht, die twee dagen duurde. De zee was olie-achtig glad. In het Oosten was de rookkolom van de brandende petroleum in Amsterdam het laatste wat we van het vaderland zagen, 's Avonds begon het te regenen; toen moesten de luiken dicht. In het ruim begon het benauwd te worden. Op de natte gonjezakken sliepen de kinderen. Ondanks het kalme zeetje was een meisje zeeziek; ze braakte, maar niemand mocht aan dek, ook zij niet. In een hoek van het ruim lagen vier mannen bij elkander. Ze hadden zich een beetje afzonderlijk gehouden. Alsof ze zich niet met de anderen wilden encanailleren. Een stormlantaarn wierp een schamel beetje licht in het rond. Die vier mannen lagen in de schaduw; dat maakte hun gedrag nog onheilspellender. En plotseling ging er een gefluister van mond tot mond:
„Die vier kerels zijn N.S.B.-ers ... we zitten met dat tuig in het stikdonkere ruim. Niemand kan er uit. We zitten als ratten in een val. God weet wat er vannacht met ons gaat gebeuren."
Vreemd hoe een kalme stemming in luttele seconden
126