blijft het luik open, maar iedereen moet een plaats zoeken onder de zijboorden . . . die zijn niet van hout maar van plaatijzer. .. ijzer is veiliger dan hout, 't is oorlogstijd. Is dat duidelijk genoeg?" En óf het duidelijk genoeg was!
„Verder moet ik weten, hoeveel kinderen beneden, laten we zeggen, twaalf jaar aan boord zijn. Alle gonje-zakken moeten bij mij worden ingeleverd. De kinderen gaan voor. Die moeten vannacht slapen, want we kunnen geen kindergehuil aan boord hebben. En ten slotte, moet ik nu — onmiddellijk! — alle etenswaar hebben, die iedereen bij zich heeft. Brood, melk . .. het kan me niet schelen wat het is, alles moet worden ingeleverd. We weten niet hoelang we onderweg zullen zijn, want we moeten een grote omweg maken vanwege de mijnenvelden en er is geen tijd geweest om proviand in te slaan. Inleveren dus."
Toen de pakjes en flesjes en zakjes met zuurdrups en
biscuitjes waren ingeleverd, vroeg ze:
„Is er misschien iemand, die nog wat van mij wil
weten . . . dan kan hij of zij me dat nu vragen."
Een van de mannen uit het groepje onder het open
luik, vroeg:
„Krijgen we zwemvesten?"
Ze haalde onverschillig de schouders op. Toen knoopte ze het gele zwemvest, dat ze droeg los en hield 't in haar handen voor zich uit. Er klonk geen spoortje zenuwachtigheid in haar stem, toen ze antwoordde: „Er zijn hier zes en negentig mensen in het ruim .. . en bovendien heb ik nog mensen achteruit ook. Ik heb natuurlijk niet voor iedereen een zwemvest. Mijn man zal proberen het schip veilig naar de overkant te brengen. Dat is ons aller belang nietwaar? En laat ik jullie
125