en wegen. Tenminste die indruk maakte het op de chauffeur van de auto en op mij, die naast hem zat. Ergens moest een weg naar de Noordersluis leiden. Mensen, die uitvoerig vertelden hoe we moesten rijden, liepen er genoeg op straat. Maar als we dachten, dat we de weg eindelijk hadden gevonden, stonden er altijd soldaten, die onverbiddelijk de toegang weigerden. De nerveuse spanning werd ondraaglijk. Geschut klonk vlakbij. Britse soldaten liepen langs de waterkant. Ze sjouwden met grote voetzoekers: de springladingen, die de grote sluis moesten vernielen. En als een razend geworden kever, draaide onze auto door de doolhof. Omdat we zonder systeem naar een toegang tot een afgesloten weg zochten, belandde onze auto plotseling aan het eind van een der pieren. Niet de Noordersluis, maar de Z'uiderpier. Daar lag een eenzaam kustvaar-dertje. Rustig. Op de kade liep een zenuwachtige marinier rond, revolver in de vuist. Over de loopplank van het scheepje kwam een vrouw de wal opstappen. Donker type. Zonverbrande huid. Heldere ogen. Ze had een beetje de schommelende gang van een zeeman. Om het middel droeg ze een dik geel zwemvest. ״Jullie moet zeker mee naar Engeland?" vroeg ze doodbedaard. ״Kan het?"
Ze draaide zich om en riep naar de schipper, die in de stuurhut stond:
״Jan ... dat kan er toch ook nog wel bij, hé?" ״'tuurlijk," riep de man terug, ״hoe meer zielen hoe -meer vreugd. Ik lig nog lang niet aan mijn merk." Doodbedaard. Een gesprek alsof het een pleizierreisje gold. Een ritje met de Zaandammerboot naar de kermis. ״Kan die auto ook nog mee, Jan?" riep ze weer.
122