liepen van de ene waarzegster naar de andere. En elke somnabule vertelde een kletspraatje, waar niemand houvast aan had. De angstige spanning duurde weken en weken.
Totdat. . . werklui, die in een pakhuis aan het sjouwen waren, achter een paar balen het lijkje ontdekten. Het was gruwelijk verminkt. Al gaven de kranten maar weinig bijzonderheden, iedereen begreep vol afgrijzen wat er gebeurd was.
Terwijl iedereen zich nog afvroeg: wie heeft de moord op zijn geweten?, verschenen er op een avond een paar rechercheurs in de Rapenburgerstraat om Arie te halen. Hij ging gedwee mee. De volgende dag stond in de krant, dat hij had bekend. Een jongen van een jaar of achttien, moordenaar!
De afschuwelijke bijzonderheden, die toen bekend werden, sla ik nu maar over. Trouwens ik weet niet of de verhalen, die de ronde deden, op waarheid berustten, want de rechtzaak werd met gesloten deuren behandeld. Arie kreeg levenslang. Hij ging naar de strafgevangenis te Leeuwarden, in Friesland. Het duurde niet lang of Aaltje en haar man Hartog sloten de winkeldeur in de Rapenburgerstraat voor goed achter zich. Ze trokken weg, ook naar Friesland. Ik weet niet of Hartog zich ook deze keer tegen een verhuizing uit Amsterdam heeft verzet. Vermoedelijk heeft hij slechts weinig bezwaren geopperd; ten slotte was hij een goeiige sul, die zijn vrouw in alles haar zin gaf. En iedereen kon begrijpen, dat zij graag dicht bij Leeuwarden ging wonen. Een moederhart is ondoorgrondelijk en de gevangenen hebben hun vaste bezoekdagen.
Hoe het verder met Aaltje, Hartog en haar gezin is
118