ochtend. Ze keek met welbehagen naar de schuitjes, waarop de boeren stonden, die de lucht van stal en mest en klei en wind nog in de kleren hing. Die twee kregen een heel nest met kinderen, zo op het oog allemaal gezonde en verstandige jongens en meisjes, wat bij een huwelijk tussen een volle neef en nicht niet altijd zo zeker schijnt. Hun zoontje Arie zat op school 10, een paar klassen hoger dan ik. Hij was een beetje stille jongen; dat meen ik me ten minste te herinneren, maar het kan best zijn, dat ik me meer herinner dan ik destijds heb waargenomen. Dat gaat meestal zo in het leven. Je zit met een jongen in dezelfde klas, of je bent met hem op dezelfde school, en als je met hem voetbalt, vind je het een doodgewone knaap; niets bijzonders. Maar vele jaren later lees je plotseling zijn naam in de krant. Iedereen spreekt over hem. En de mensen proberen in het verleden te zoeken naar aanwijzingen voor een groei, waarvan ze nu pas de resultaten zien. De mensen, die hem hebben gekend toen hij nog een doodgewoon jongetje was, kijken dan peinzend en mompelen met een hoop aanstellerij:
״Tja .. . destijds, toen we nog samen vriendjes waren, was het ook al zo'n rare sijs ... ik weet tenminste nog.." En dan komen ze met verhalen, die ze zó knap zelf hebben verzonnen, dat ze niet eens meer weten wat het verschil is tussen fantasie en werkelijkheid. Ik moet oppassen, dat ik niet in diezelfde fout verval. Misschien was Arie in zijn jonge jaren inderdaad al een beetje wonderlijk. Het enige, dat ik mij met zekerheid van hem herinner is, dat hij beter dan een van de andere jongens met het flobert pistooltje van meneer Vincent overweg kon.
Die zei altijd (dat weet ik beslist):
113