het hoofd werden kwistig uitgedeeld, zonder dat van enige discriminatie naar ras of afkomst sprake was. De concierge van de school was een oude gepension-neerde sergeant-majoor. Een brave man. De jongens noemden hem: meneer Vincentius, en hij liet zich die naam glimlachend welgevallen. Hij was een man met de kracht van een leeuw en het hart van een kind. Zijn liefhebberij was figuurzagen; hij specialiseerde zich in het maken van theebladen. Honderden theebladen stonden overal in de school verspreid. In de avonduren schoot hij met een flobert-pistooltje op ratten. Als hij in een goede bui was, mochten de jongens uit de straat ook wel eens met schiettuig knallen. Maar hun ouders hadden het op die sergeant-majoor niet erg begrepen. Ze vonden dat gedoe met zo'n revolver huiveringwekkend. Dc oefeningen in de wapenhandel onder leiding van de sergeant maakten ons echter onverschillig voor mogelijk gevaar. Daardoor kostte het ons geen moeite onze verontruste ouders met grote overredingskracht duidelijk te maken, dat de kogels van het pistooltje beslist ongevaarlijk voor mensen waren. Ze waren, zo gezegd, speciaal gemaakt om ratten te verdelgen. Helaas stuitte onze welsprekendheid meestal af op de koppige angst der ouders. Die waren fatalist. ״Als God wil, schiet Hij je dood met een kromme wandelstok," hielden ze vol.
Niet alleen door deze schietoefeningen was het grondgebied van de Sint Vincentiusschool de speelplaats waar we bij voorkeur verbleven. Als de majoor 's avonds de deur uitging, kwam zijn zoon ons waarschuwen: ״Vader is opgesallemanderd."
Dit knaapje had de goedhartigheid van zijn vader ge-erfd. Hij stond ons toe in de tuin en in de lange gang
105