II
HET is zaterdagmiddag twaalf uur. Er zit een groot gezelschap in onze kleine woning. Vader, moeder, grootmoeder en ik, dat zijn vier, en Jonas Slap en Appie en Betje, dat zijn zeven, en juffrouw Van Bever met haar zoon zijn negen, en dan komt neef Simon en neef Gerrit elk met hun vrouw, negen en vier is dertien, en Gommetje maakt de veertien vol. De mensen puilen uit de kleine kamertjes, alleen de keuken is vrijgebleven, want daar staat de koffie te koken, een grote ketel vol voor al die mensen. Er wordt op de deur geklopt en het is oom Max, dat is dus de vijftiende die er nog bij moet. Iedereen schuift een eindje op. Gommetje begint te zeuren om een ijsje. Iedereen krijgt de neiging om ruzie te maken, maar dat is het ongeduld, want we zitten te wachten op Henri du Pont, die getelegrafeerd heeft dat hij tegen deze tijd bij ons in de steeg kan zijn. Het loopt tegen halfeen en plotseling horen we buiten lawaai, de hele steeg is in rep en roer en oom Max wringt zich naar het venster en roept dat de steeg vol politie-agenten is, wat een geweldige opschudding veroorzaakt. Iedereen wil nu naar de voorkamer en daar kunnen nu eenmaal geen vijftien mensen naast elkaar voor het raam staan. Maar de steeg is afgezet, er mag niemand in of uit, en er staan drie agenten bij ons voor de deur, met het gezicht naar de gevel, en aan de overkant staan agenten die naar het dak kijken, en dat horen we allemaal van oom Max, die zogezegd een ooggetuigeverslag geeft. Maar uit de keuken klinkt de stem van grootmoeder, die ook agenten ziet, nu aan de achterkant van ons huis, ze lopen in de stukjes tuin, en aan de overkant achteruit staan twee agenten op het dak, het lijkt wel het beleg en het ontzet van Leiden.
Oom Max aan de voorkant en grootmoeder in de keuken geven nu soms om de beurt en meestal tegelijkertijd een ooggetuigenverslag. In de stampvolle kamertjes golft de mensenmenigte heen en weer, tenminste voor zover er wat te golven valt. Als het in
168