tegelijk, want de leden zitten er maar voor gist en kaneelwater bij. Jonas sjouwt langs alle buren voor een bijdrage in de feestviering en dus komt hij ook bij ons om wat geld, want de steeg moet versierd worden en er moet een draaiorgel komen en zo. Vader zegt dat hij een kleinigheid kan missen, meer niet, maar nu Jonas toch hier is wil hij hem wel vertellen dat hij hem een misselijke vent vindt: eerst bij ons de deur platlopen en de gevel versieren met 'Hulde aan de erfgenamen', zolang hij denkt dat er wat te halen is, en na de diefstal ons in de maling laten nemen door de hele scheersalon. Jonas heeft de gevel niet versierd, of eigenlijk heeft hij dat wel gedaan, maar juffrouw Van Bever heeft dat op haar geweten. Zij vraagt hem het draaiorgel te laten komen en het huis te versieren. Jawel, en iedereen heeft een kleinigheid gegeven voor de feestvreugde, zelfs de zusjes van één hoog, of eigenlijk niet de zusjes, maar hun gemeenschappelijke vriend, die Jonas langs de deur van de scheersalon ziet schuiven, net als wij naar het station gaan.
Vader veert plotseling op. Jonas vertelt hem iets, wat niemand nog weet. Zo, dus de vriend van Sientje en Dientje is boven geweest, terwijl onze familie op het perron met Henri du Pont staat te praten? Dat moet de commissaris van politie weten. Opeens ziet iedereen duidelijk wat er gebeurd is. De zusjes staan bij ons aan de deur te luisteren, als juffrouw Van Bever vertelt dat de papieren bij haar in de brandkast liggen. Daarna komen die twee kwinkkwank-floddermadammekes bij ons binnen zogenaamd om ons te feliciteren, maar onderwijl kijken ze goed uit en waarschuwen ze de vriend, die de brandkast leeg haalt. Vader gaat naar het politiebureau en neef Gerrit en neef Simon beginnen aan moeder en grootmoeder alle bijzonderheden te vertellen van alles wat er de laatste tien jaar in hun gezinnen is gebeurd, want zo lang zijn ze vijanden van ons geweest en nu we weer vrienden zijn moeten we toch alles van elkaar weten.
167