gen en anderen komen er rond voor int, dat is 't enige verschil. Moeder rapporteert dat de bevolking van de steeg verdeeld is in twee partijen, de ene partij is de grootste en lacht ons openlijk uit, de andere partij doet gewoon en dan is er ook nog juffrouw Granaat. Die heeft natuurlijk over de diefstal nagedacht en ze vindt de inbraak het beste bewijs dat de perkamenten veel geld waard zijn, want wie breekt er nu in voor een paar waardeloze vodjes papier. Ze kan niet vergeten dat moeder haar plan om een fabriek van mergtaarten te beginnen met haar als compagnon, ernstig neemt. Zoiets legt onverbrekelijke vriendschapsbanden tussen de mensen, heel iets anders dan de banden tussen juffrouw Granaat en haar naaste familie, die haar onder curatele wil stellen.
Trouwens ook Appie-en Betje laten zich van de goede kant kennen, wanneer ze samen bij ons een beetje vertroosting komen brengen voor het verlies. Appie heeft er een zwaar hoofd in, dat de dief ooit gepakt zal worden. Hij kan het weten, want in zijn jonge jaren is hij met raar volk omgegaan en hij kent de onderwereld. Maar Betje heeft vertrouwen in de rechercheurs en bovendien, vroeg of laat wordt elk kwaad gestraft. Het is juist voor die twee wel erg jammer dat de perkamenten verdwenen zijn, want als de kredietgevers dat horen, gaat de grote kruideniershal natuurlijk niet door. Tenminste dat zegt moeder. Maar hoe komt ze aan die wijsheid? Die diefstal heeft toch niets te maken met het vertrouwen, dat de leveranciers in Appie stellen, daarvoor maakt hij zich niet ongerust. Het geld dat we nooit hebben bezeten, is eigenlijk nooit meer geweest dan een soort visitekaartje voor Appie om bij de leveranciers binnen te komen. Betje zit erbij te knikken, en ze kijkt bewonderend naar Appie op. Al komen de gestolen papieren dan misschien nooit terecht, in elk geval zullen Betje en Appie profiteren van een erfenis, die misschien nooit heeft bestaan, en van miljoenen die nooit werkelijkheid zijn geworden. Vader zal weer evenals vroeger nu eens werkeloos zijn en dan weer eens werken en de Bank van Lening
161