nen van stapel heeft laten lopen, komt het hierop neer dat de familie van Vlooienburg beslag laat leggen op perkamenten die er niet meer zijn.
VII
NOG sneller dan indertijd het nieuws dat we een grote erfenis hebben gekregen, verspreid zich nu de sensatie dat een onbekende dief ons weer straatarm heeft gemaakt. Het lawaai van de mensen op straat krijgt plotseling een heel andere toonhoogte, maar dat kan ook komen doordat de baas van het draaiorgel vindt dat je bij een diefstal geen muziek moet maken. Niet, dat ze bij ons thuis zitten te huilen van verdriet, integendeel, we hebben allemaal een vreemd soort van opluchting. Of opluchting is eigenlijk niet het goede woord, nee, de laatste dagen is onze belangstelling met intense spanning voortdurend gericht op de vraag of die papieren geld waard zijn, en nu hebben we slechts aandacht voor de dief en of de politie erin zal slagen hem te pakken, dat is het.
Als we uit het raam naar beneden kijken, zien we Jonas Slap, die een laddertje tegen de gevel van het huis heeft gezet en onder gejuich en boe-boe-geroep van de menigte de schilden omlaag haalt met 'Gefeliciteerd' en 'Hulde aan de erfgenamen.' Zegt grootmoeder: 'Het valt me nog mee dat hij nu geen borden gaat ophangen met 'Leve de dief', want geloof maar dat ze ons de diefstal even hard gunnen als ze ons de erfenis hebben benijd.'
Het klinkt wel hard en bitter, maar grootmoeder kent de mensen. De eerste die haar sombere kijk op det mensdom door zijn eigen daden rechtvaardigt, is Jonas Slap. Hij valt ons eerlijk gezegd een beetje tegen. Telkens als we zijn scheersalon voorbijgaan, beginnen alle mannen die binnen zitten, luid te lachen, en omdat die salon in het benedenhuis is en wij boven wonen
159