en ziet dat het trommeltje met onze perkamenten weg is. Er is ingebroken. De dief heeft ons eiland gestolen. Vader hijst juffrouw Van Bever in een leunstoel en laat de mensen water met azijn brengen om haar tot bedaren te brengen, maar ze blijft gillen dat ze totaal geruïneerd is. Af en toe gilt ze niet, maar commandeert ze dat de politie moet komen om de dieven te arresteren.
Er komen twee rechercheurs van het Meijerplein. Intussen is juffrouw Van Bever een klein beetje gekalmeerd, zodat ze samen met die mannen kan nagaan wat er nu wel en wat er niet uit de brandkast is weggenomen. Gaanderweg begint haar verdriet te wijken, want van haar effecten ontbreekt geen snippertje, ze is nog even rijk als voor de diefstal. Maar onze perkamenten zijn alle negen verdwenen, alleen het tiende niet, dat heeft Henri du Pont immers mee naar Parijs. Juffrouw Van Bever heeft nu geen azijn met water meer nodig. Ze is haar effecten niet en zenuwen wél kwijt. Tenslotte maakt die diefstal óns geen cent armer vindt ze, want de papieren zijn zo goed als zeker waardeloos en wat heeft die dief er aan? Als hij die papieren wil gaan verkopen, weet iedereen dat ze van diefstal afkomstig zijn. Ze praat zoveel en zo druk dat de rechercheurs een beetje bang voor haar worden en het zijn toch flinke mannen. Als de buurvrouw dat ziet, gaat ze op haar manier proberen uit te rekenen wie haar brandkast kan hebben opengemaakt. Op haar tien vingers zit ze af te tellen welke mensen in de steeg weten dat de papieren in haar brandkast zijn, maar ze heeft aan tien vingers niet genoeg, want de hele buurt weet het, en het mooiste is, zij zelfheeft het aan de buurt verteld. Ze begint bij Jonas Slap die ze nooit heeft vertrouwd, en dan komt ze bij Appie aan wie ze een hekel heeft, en zo gaat ze door, totdat de rechercheurs zeggen dat hun boekje vol is met namen van mensen die juffrouw Van Bever verdenkt, en dat ze wel zullen terugkomen als de commissaris heeft gezegd wat ze er mee moeten doen.
Maar ze kunnen niet weg, want grootmoeder vraagt aan Juf
157