gezien willen worden, omdat ze niet met hun armoe te koop lopen.
VI
NATUURLIJK staat juffrouw Van Bever op het portaaltje twee hoog te wachten. Vandaag vertrekt Henri du Pont naar Parijs. Ze heeft door de gehorige zoldering heen gehoord dat ons hele gezin naar het station gaat om er getuige van te zijn. Grootmoeder kan het niet laten de buurvrouw aan haar schrielheid te herinneren, waardoor moeder het laatste linnengoed en de twee trouwringen naar de lommerd heeft moeten brengen. Een lege linnenkast is net zoiets als een zere kies, je kunt hem beter meteen laten trekken, want voor een goede vulling moetje ook weer geld hebben. Het ergste is dat vader en moeder misschien diep in het verborgen putje van hun hart geen seconde geloven dat de perkament en geld waard zijn. Ze zijn de gevangenen van een droom, een soort geldziekte, ze willen niet wakker worden; een mens bedriegt niemand zo gemakkelijk als zichzelf. Henri du Pont staat gepakt en gezakt bij de trein. Vader moet hem in het vervolg maar Hans noemen, want dat zeggen zijn goede vrienden ook altijd. Moeder vertelt dat de honderdvijftig gulden het laatste stukje van haar armoe is. Gelooft Hans nu werkelijk dat er nog iets van die erfenis terecht komt? Juffrouw Van Bever herinnert aan het spreekwoord van de duivel, die het liefst op de grote hoop doet.
De trein gaat vertrekken en dat is maar goed ook, want anders gaat dat hele gezelschap nog staan filosoferen over de betekenis van geld en dan zie ik er nog van komen dat vader alles terugneemt en de perkamenten gaat vergeten.
Als we in de Markensteeg terugkomen, is daar Koninginnedag uitgebroken, gevierd door honderden mensen, met een groot
154