en diamanten en nou is het opeens een eiland, dat kan geen zuivere koffie zijn. Als hij alles begrijpt, wil neef Simon zijn aandeel in die honderdvijftig gulden meebetalen, maar grootmoeder wijst dat aanbod hooghartig af. Zij geeft haar recht niet uit handen.
Op dat ogenblik gaat de deur open en Sientje en Dientje van één hoog komen binnen, met mooie manteltjes en hoge laarsjes en met een verontschuldiging, want ze hebben geklopt en geklopt en niemand heeft 'binnen' geroepen. Oom Max put zich uit in vriendelijkheden. Een aanhalige buurvrouw is beter dan een getrouwde vriendin. De zusjes vinden hém geen brombeer, ze veronderstellen dat hij jonger is dan zijn broer en oom Max zegt dat een man nooit ouder is dan de vrouw waar hij van houdt. Zegt moeder: 'Max, als jij je fatsoen niet kunt houden kan je beter meteen naar huis gaan en waarmee kan ik de dames van dienst zijn?'
De dames hebben werkelijk niets bijzonders te vertellen, alleen maar even feliciteren. Ze mogen dan weinig conversatie met ons hebben, tenslotte zijn ze buren. Voordat ze hun obligate avondwandeling gaan doen, willen ze hun gelukwensen komen aanbieden. Ze verontschuldigen zich voor de tweede keer. Terwijl de familie aan het ruziemaken is, hebben ze door de deur woord voor woord kunnen verstaan. Niet dat ze opzettelijk staan te luisteren, maar een mens heeft nu eenmaal oren, waarmee hij hoort, dus nogmaals, onze gelukwensen met die miljoenen-erfenis en pas maar goed op die papieren in de brandkast van juffrouw Van Bever en verder een plezierige avond. Maar het plezier is van de avond af. De Vlooienburgers gaan weg zonder een groet. Oom Max weet niet goed wat hij moet zeggen. Als we met ons gezin weer alleen zijn, maakt moeder een pakje van het linnengoed en vader gaat naar de lommerd in de Lepelstraat, die tot elf uur 's avonds open is, speciaal voor mensen zoals wij, die wat hebben te belenen en overdag niet
153