langzamerhand toch wel, en ze is erg dankbaar dat we haar zullen helpen die dure professoren uit Amerika te betalen, maar geld lenen met als onderpand papieren waarvan we niet weten of ze minder waard zijn dan behangsel, nee, voor zo'n onzakelijke zaak moeten we bij haar niet zijn. Kunnen we niet die gezant in Parijs de zaak schriftelijk laten behandelen, een paar postzegels zijn toch nog wel te betalen? Henri beslist dat zulke affaires alleen maar door persoonlijk bezoek in orde kunnen komen. Wat kunnen mensen die geen economie studeren daar dan eigenlijk tegenin brengen? Hij vindt honderdvijftig gulden ronduit gezegd een fooitje, wanneer misschien miljoenen guldens op het spel staan, hij is student en die hebben nu eenmaal weinig geld, maar anders . .. nóu!
Zegt grootmoeder: 'Jawel, maar U heeft nu eenmaal geen geld en daarmee houdt alles op.'
Onderwijl staat vader met moeder in de keuken te fluisteren. Opeens zegt hij dat we ons om die honderdvijftig gulden niet bezorgd hoeven te maken. Hijzelf zal het geld betalen, dan hoeven we later ook niemand naar de ogen te kijken, als de erfenis inderdaad zoveel geld waard is. Grootmoeder kijkt verbaasd, ze begrijpt niet waar vader plotseling die guldens vandaan zal toveren. Ze maakt zich kwaad. Wel juffrouw Van Bever geld geven voor de professoren in Amerika. Als moeder er niet tussen komt, wordt het nog vechten.
De volgende vraag is: wie gaat er naar Parijs. Of eigenlijk is dat geen vraag, want het is voor iedereen duidelijk dat Henri du Pont moet gaan en vader zegt dat hij overmorgen, dus dinsdag, het geld kan krijgen, dan kan Henri diezelfde dag of woensdagmorgen vertrekken.
De visite gaat weg. Grootmoeder zegt geen woord. Vader kijkt moeder aan. Iedereen zit duidelijk op iedereen te wachten. Als dat zwijgen minstens twee minuten duurt vraagt grootmoeder waar vader in vredesnaam die honderdvijftig gulden vandaan denkt te halen.
148