len, want ze weet alles al, alles! Zo gehorig is haar en onze woning.
Maar erger is dat de hele steeg ook alles weet en als moeder stomverbaasd aan juffrouw Van Bever vraagt waar de mensen toch die kennis vandaan hebben, de papieren zijn immers nog geen vierentwintig uur bij ons in huis, kijkt de buurvrouw doodon-nozel.
'Ik ben de zeg-vrouw en bent u daar nou kwaad om juffrouw Beem, gunst mens, hoe kan ik weten, dat zoiets geheim moet blijven?'
'Hoe U dat kimt weten, hoe U dat kunt weten, nou wordt het helemaal gekkenspul.'
Het is al bar en boos dat juffrouw Van Bever in haar huiskamer kan horen wat bij ons een verdieping hoger in de keuken gebeurt, maar waar haalt ze de brutaliteit vandaan, de chutzpah, om onze huishouding op straat te gooien?
Dat zal juffrouw Van Bever nou eens haarfijn aan moeder gaan uitleggen. Om maar meteen met de conclusie te beginnen, het is allemaal de schuld van moeder zelf. Als je juffrouw Van Bever hoort praten, kun je haar nog niet eens zo gemakkelijk ongelijk geven ook. Het komt hierop neer dat ze woord voor woord heeft verstaan van het gesprek gisteravond tussen neef Simon, oom Max en ons gezin, dwars door de zoldering heen. Maar waarom moet vader nu juist fluisteren, wanneer hij tegen oom Max zegt dat die met niemand over de papieren mag spreken? Laat nou precies die ene zin aan juffrouw Van Bevers scherpe oren zijn ontgaan. Goed beschouwd is het dus vaders schuld dat juffrouw Van Bever subiet na het gesprek de straat oprent om aan iedereen in de steeg te vertellen dat op nummer negen drie hoog een erfenis is terecht gekomen, waarbij de honderdduizend uit de staatsloterij nog maar een onschuldig weeskind moet zijn. Juffrouw Van Bever is aan het woord en geen sterveling, die haar tot zwijgen kan brengen. Gekken trekken de kaart. Niet dat ze ons een beetje welstand misgunt; nee, tenslotte zijn we
136